Eens ging de zee hier tekeer

Eens ging de zee hier tekeer. Het verhaal van de Zuiderzee en haar kustbewoners.


Eens ging de zee hier tekeer

De schilderachtige stadjes rond het IJsselmeer spreken tot de verbeelding, met hun authentieke gevels, vissersboten en pittoreske havens. Hoewel ze onderling sterk verschillen, is er één gebeurtenis die leven en lot van alle kustbewoners met elkaar verbindt.

Op 28 mei 1932 werd de Afsluitdijk gedicht. De overheid was ervan overtuigd dat dit Nederland zou voortstuwen in de vaart der volkeren. De kustbewoners stonden erbij, keken ernaar en moesten zich zien te redden. Hun Zuiderzee werd het IJsselmeer. Voortaan voeren hun botters uit op een zoetwaterplas.

Wat betekent zo’n ingrijpende verandering voor de cultuur, de identiteit en de toekomstdromen van mensen? In Eens ging de zee hier tekeer staan vier Zuiderzeefamilies centraal, uit Urk, Volendam, Spakenburg en Wieringen. Aan de hand van hun levensgeschiedenissen vertelt Eva Vriend een groots verhaal over vissersbloed dat kruipt waar het niet gaan kan, de houvast die traditie biedt en de veerkracht die vereist is om vooruit te komen. Niet eerder werd de geschiedenis van het grootste zoetwatermeer van West-Europa zo levendig, invoelbaar en treffend opgetekend.



——Fragment De schoenenfabriek


Als je kinderen hun weg vinden, wordt je uitzicht beter. Gijs Hopman staarde berustend voor zich uit op een bankje in de haven.

Zijn oudste zoon Jochem Hopman redde zich wel als IJsselmeervisser, zo goed en kwaad als dat ging. Hij ving met zijn eigen vergunning voorlopig genoeg paling om zijn jonge gezin te onderhouden. Jochem en zijn vrouw Jannetje zouden zes kinderen krijgen. Over zijn andere kinderen hoefde Gijs zich evenmin zorgen te maken.

Hoewel, even was het spannend geweest.

Toen de collega-visser uit Spakenburg bij wie jongste zoon Jan in 1929 aan boord was gestapt minder werk had, dreigde Jan thuis te komen zitten. Gelukkig vond hij een baantje bij de schoenenfabriek. De N.V. IJsselmeer Maatschappij voor de Schoenindustrie was in 1934 neergestreken in Bunschoten-Spakenburg, ‘de gemeente die met haar 5200 zielen tegen dood water aan ligt’, zoals een krant schreef bij de opening van de Afsluitdijk.

Vanuit het besef dat de vissers en de arbeiders uit de aanverwante ondernemingen een nieuwe werkplek nodig hadden, stimuleerde de rijksoverheid de gemeenten rond de Zuiderzee tot het aantrekken van bedrijvigheid. De burgemeesters zagen dit zelf ook wel zitten, toen het in de jaren twintig economisch beter ging en de maakindustrie zich verder ontwikkelde. Rond de Zuiderzee openden zo negen compleet nieuwe bedrijven die niets met de visserij te maken hadden. In de fabrieken werd van alles gemaakt; van knopen, bezems en koperwaren tot pantoffels, kleding en lingerie. Overal konden zonen en dochters aan het werk die tot dan toe hun ouders hadden geholpen met het vangen of schoonmaken van vis, het maken en tanen van netten, en al die andere klussen die de Zuiderzeevisserij met zich meebracht. De zwarte klederdrachtbroek werd verruild voor een bruine stofjas. Hun handen roken niet meer naar vis.



Naaister
lopende band

———


De opleiding die Jan Hopman kreeg om de schoenen te kunnen maken, werd betaald vanuit de Zuiderzeesteunwet. Het economisch beleid van de regering-Colijn ontmoedigde het direct subsidiëren van bedrijven die ex-vissers in dienst namen. Dat druiste in tegen de geest van de nachtwakersstaat. De overheid moest enigszins op afstand blijven. De Rijksdienst ter Uitvoering van de Zuiderzeesteunwet verstrekte slechts indirect hulp. Zo kreeg de Spakenburger schoenenfabriek per arbeider 500 gulden scholingskosten vergoed.

Nadat Jan jaren op het water had gewerkt, op een altijd bewegend schip, in de frisse buitenlucht, met één baas en soms een tweede knecht, stond hij nu de hele dag binnen in een besloten ruimte tussen vele collega’s uren achtereen hetzelfde werk te doen. Zolen aannaaien of hakken vastlijmen. Het werk ging hem en zijn collega’s in ieder geval goed af, beter dan buitenstaanders verwachtten. Burgemeester Jac. de Vries sr. van Bunschoten vertelde dit aan De Telegraaf in een artikel met de kop ‘Nieuw land, stervende schoonheid’. ‘Het schijnt of bij deze kinderen van belanghebbenden de verbondenheid aan het water reeds gestorven is. Wat is er voor den werklooze belangrijker dan werk? Het werk lonkt.’

‘Ik weet nog dat ik het in het begin lang niet makkelijk had. De zee trok!’ vertelde plaatsgenoot Wim Bos. Hij werkte bij de tweede belangrijke werkgever voor oud-vissers in Spakenburg, de knopenfabriek, als handfrezer van knopen; gaatjes boren en randjes slijpen. Als dertienjarige had hij nog gedacht dat hij visser zou worden.

‘Wanneer ik’s maandagsmorgens, heel in de vroegte, de motoren hoorde aanslaan, en wist dat de vissersschepen uitvoeren, dan ging ’t me wel eens aan het hart dat ik niet meekon. Maar dat ging over: de trek naar zee verdween. En toen ik later de bootjes voorbij hoorde puffen, zei ik wel eens tegen mijn vrouw: “Ik ben blij dat ik op de fabriek ben, met een vast inkomen, zomer en winter door.”’