De Helpende Hand. De verborgen geschiedenis van de gezinszorg in Nederland.


De Helpende Hand

Onder het motto ‘Volksherstel door Gezinsherstel’ werden na de Tweede Wereldoorlog tienduizenden Nederlandse vrouwen ingezet als stootkussen van de wederopbouw.

Deze gezinsverzorgsters ontwikkelden zich tot huishoudsters met een maatschappelijke taak: als hoedsters van de hoeksteen van de samenleving moesten zij na de oorlog het dagelijks leven weer in het gareel krijgen en Nederland behoeden voor moreel verval. Ieder zuil had zijn eigen organisatie om probleemgezinnen te ondersteunen.

De gezinsverzorgsters – vaak jonge meisjes, die het beroep uitoefenden als voorbereiding op hun bestaan als moeder en huisvrouw – hielpen weduwnaarsgezinnen, chronisch zieken en bejaarden. Het beroep, waarvan de geschiedenis nooit werd opgetekend, dreef mee op de golven van de verzorgingsstaat, met als hoogtepunt de vroege jaren tachtig, toen honderdduizend vrouwen het uitoefenden. Maar toen de thuiszorg onbetaalbaar werd, verdween het sociale aspect van de gezinsverzorging langzamerhand uit beeld. Tegenwoordig stoten rijk en gemeenten juist zoveel mogelijk taken af.

De helpende hand biedt het actuele debat over de thuiszorg de noodzakelijke, historische context. Eva Vriend, zelf opgegroeid met verschillende gezinsverzorgsters vanaf het moment dat haar moeder ernstig ziek werd, brengt in dit boek voor het eerst de veelbewogen geschiedenis van een vak dat een grote rol speelde in de levens van zeer velen. Wat het boek nog een extra dimensie geeft, is dat de moeder van Eva voor haar huwelijk zelf als gezinsverzorgster werkte. Zij was daarmee aangewezen op het beroep waarvoor zij zelf was opgeleid.



——Fragment


Op maandag 22 augustus 1966 meldde mijn moeder Ria van den Berg zich in de middag op de Van Eeghenstraat, nummer 96, in de chique Amsterdamse buurt Oud-Zuid. Hier was de katholieke internaatsopleiding gevestigd waarop zij haar zinnen had gezet. Wat een mooie straat, vond ze. ‘Lommerrijk’ was het goede woord.

Mijn moeder was opgegroeid in het Noord-Hollandse dorp Hoogkarspel in een katholiek gezin van negen kinderen.

Als oudste dochter had zij veel verantwoordelijkheid gekregen. Op haar dertiende jaar werd ze van school gehaald, zodat ze thuis kon helpen. Haar taken varieerden van de kachel schoonmaken tot bedden opmaken, eten bereiden en het poetsen van de schoenen van al haar broers en zusjes. Terwijl zij op school zaten, hield mijn moeder het huishouden draaiende. Mijn moeder verzette zich niet tegen haar rol als oudste dochter. Ze was ook lang niet de enige. Zoveel generatiegenoten ondergingen hetzelfde lot. Veel gezinnen hadden een dochter die geen echte opleiding volgde en in plaats daarvan meehielp in huis, en meestal was dat de oudste.

De internaatsopleiding tot gezinsverzorgster in Amsterdam was Ria’s ontsnappingsroute. Mijn grootouders konden ermee leven dat ze daarvoor naar de hoofdstad verhuisde. De opleiding was katholiek, de pastoor kende de Amsterdamse stichting ook. Veel dochters van familie en kennissen in Noord-Holland maakten dezelfde keuze.




———


Het statige pand aan de rand van het Vondelpark wordt tegenwoordig op minstens 1,5 miljoen euro getaxeerd. Makelaarssites ronken dat het ‘een van de meest geliefde straten van de Concertgebouwbuurt is, vlak bij het Museumplein, en op loopafstand van luxe winkelstraten’. Destijds woonden in het pand vierentwintig gezinsverzorgsters-in-opleiding. Het telde vijf ruime slaapkamers met vier of vijf bedden, een royale woonkamer met meerdere zitjes van rotanmeubelen, een klaslokaal, een ruime keuken en een zolder die dienstdeed als wasruimte. Daarnaast was er een kamer voor de inwonende directrice, mejuffrouw Timmerman, en haar twee katten.

Op de opleiding leerden de jonge vrouwen wat een gezinsverzorgster precies moest doen in een huishouden. Ze was een soort ‘sociale huishoudhulp’. Ze maakte het huis schoon, kookte en deed de boodschappen. Maar ze haalde ook de kinderen van school, hield de jongsten bezig en voorkwam dat het kroost elkaar in de haren vloog. Daarnaast had de gezinsverzorgster een duidelijke, morele taak. Ze moest het gezin-in-nood op het rechte spoor houden en behoeden voor verval.

De leerling-gezinsverzorgsters kregen hiertoe onder meer de vakken godsdienst, gezin en gezinsleven, maatschappelijk werk, sociale wetgeving en kinderverzorging en opvoeding. In de tweede periode van de internaattijd combineerden de leerlingen de theorie- lessen met werken in gezinnen. Na zes maanden volgde een getuigschrift. Vervolgens moesten de leerlingen nog een jaar lang voltijds werken in de gezinnen. De opleiding maakte dat je al met al anderhalf jaar van huis was.

Een ideaal vraagt altijd offers,’ leerde de voorlichtingsfolder van het internaat die mijn moeder thuisgestuurd had gekregen. ‘Het eerste offer van de gezinsverzorgster zou je haar opleiding kunnen noemen. De opleiding is intern. Wat betekent: een opoffering van je vrijheid. Maar dat intern betekent ook intens. Je wordt dan ook echt opgeleid.’ Een opoffering? Zo zagen jonge vrouwen als mijn moeder dat helemaal niet. Integendeel.